Nieuws

Vennootschapsbelasting en reclame

Geplaatst: 08 november 2017
Kenmerk: 2017.03309

Vennootschapsbelasting en reclame

Taxnavigator heeft een exclusief interview gehouden met prof. dr. A.O. Lubbers over vennootschapsbelasting en gemeenten. Delen van dit interview worden gepubliceerd door Taxnavigator. Bijgaand treft u een deel van het interview aan. 

Taxnavigator: “Op dit moment vindt overleg plaats met de Belastingdienst over de vraag of reclame-inkomsten van een gemeente kunnen worden belast met vennootschapsbelasting. Daarbij gaat het in het bijzonder om de verhuur van reclamezuilen door de gemeente. De discussie richt zich op de vraag of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Hoe kijkt u tegen deze problematiek aan?”

Lubbers: “Ik zal de rol van het criterium ‘normaal vermogensbeheer’ toelichten. Het uitgangspunt is dat een gemeente pas in de heffing van vennootschapsbelasting wordt betrokken indien en voor zover zij met een activiteit een onderneming drijft. Het gaat hier om activiteiten die rechtstreeks door de gemeente worden verricht en dus niet vanuit bijvoorbeeld een BV plaatsvinden. In de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt het begrip ‘normaal vermogensbeheer’ met name gebruikt in de sfeer van de exploitatie van onroerende zaken door een belastingplichtige die in de inkomstenbelasting valt. Vaak gaat het dan om de vraag of deze belastingplichtige met de exploitatie van onroerende zaken winst uit onderneming behaalt dan wel in box-3-inkomen geniet. Als de arbeid die gepaard gaat met de exploitatie van die onroerende zaken naar aard en omvang niet meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, is geen sprake van een onderneming, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo’n analyse moet derhalve ook met betrekking tot de reclamezuilen worden gemaakt”.

Taxnavigator: “En hoe moet je dat beoordelen in de praktijk?”

Lubbers: “Er moet worden beoordeeld of de arbeid die door de gemeente met betrekking tot de exploitatie van de reclamezuil wordt verricht naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement overstijgen. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat het inherent is aan de verhuur van (onroerende) zaken – dus ook reclamezuilen door een gemeente – dat bepaalde werkzaamheden worden verricht. Dat is ongeacht haar rendementsstreven; panden verhuren zichzelf niet. Denk aan administratieve werkzaamheden als het incasseren van de huur en het opstellen van huurovereenkomsten. Maar denk ook aan onderhoudswerkzaamheden en bijvoorbeeld het zoeken van een nieuwe adverteerder als het contract met de bestaande adverteerder is afgelopen. Dergelijke werkzaamheden zijn ontegenzeggelijk als normaal vermogensbeheer aan te merken.”

Taxnavigator: “En als de door de gemeente verrichte arbeid naar aard en omvang ten doel heeft het behalen van een hoger rendement dan past bij normaal vermogensbeheer, dan drijft de gemeente een onderneming op het punt van de exploitatie van reclamezuilen?”

Lubbers: “Nee, ook dit is een misverstand. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt expliciet dat het enkele feit dat activiteiten het normale vermogensbeheer te boven gaan niet automatisch tot gevolg heeft dat sprake is van een onderneming. In aanvulling daarop moet worden beoordeeld of sprake is van een ‘duurzame organisatie van kapitaal en arbeid’ die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Het is geen allesbepalend criterium voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onderneming of niet. Zonder duurzame organisatie van kapitaal en arbeid is van een onderneming geen sprake.”

Taxnavigator: “Uw conclusie wijkt af van de notitie ‘Normaal Vermogensbeheer’ van de SVLO. Is dat juist?”

Lubbers: “Ja dat is juist.”

Taxnavigator: “Hoe kan een gemeente zo’n discussie met de Belastingdienst dan winnen?”

Lubbers: “Vaak worden dit soort discussies eerst mondeling gevoerd en raakt zo’n discussie op enig moment in een impasse. Dan zullen partijen in de pen moeten klimmen. Soms legt de inspecteur zijn standpunt neer in een brief en kan de belastingplichtige daarop reageren. Of de belastingplichtige kan aanbieden zijn kant van het verhaal op te schrijven. Het is verstandig zo’n schriftelijke reactie zorgvuldig op te stellen. Je krijgt maar één kans om een goed betoog neer te leggen. Eerst moeten de feiten nauwkeurig in kaart worden gebracht. Daarbij kan worden gedacht aan een beschrijving van het aantal reclamezuilen en aan de juridische vormgeving. Verhuurt de gemeente de reclamezuilen of verhuurt zij een stukje grond, al dan niet met recht van opstal? Voorts moet bij een beschrijving van de feiten aandacht worden besteed aan de werkzaamheden die door de gemeente worden verricht met betrekking tot de reclamezuilen, bijvoorbeeld wie vervangt de reclame-uitingen, wie verricht het onderhoud, wat houdt het onderhoud in. Uiteraard is het ook nuttig informatie op te nemen met betrekking tot de opbrengsten en kosten voor de gemeente, het rendement etc. Vervolgens moet het juridisch beoordelingskader worden weergegeven. Daarbij moet de jurisprudentie rondom het ondernemerschap en normaal vermogensbeheer in kaart wordt gebracht. Het is natuurlijk aardig als je in staat bent voor de gemeente gunstige parallellen te trekken met regelingen op andere terreinen van het belastingrecht. Uit die vastgoeddiscussie blijkt dat de Belastingdienst zelf van mening is dat vastgoedexploitanten niet zo snel een onderneming drijven. Als het juridische beoordelingskader is opgeschreven, moet het recht op de feiten worden toegepast en moeten conclusies worden getrokken. Zeer nauwkeurig moet worden beoordeeld of, gelet op de feiten, sprake is van een onderneming of niet. En dat moet goed worden beargumenteerd.”

Taxnavigator: “Hartelijk dank tot zover. Heeft u al een onderwerp voor de volgende keer in gedachten?”

Lubbers: “We zouden het over clustering kunnen hebben. Maar uiteraard sta ik ook open voor suggesties die worden aangedragen door de lezers van Taxnavigator.”

Noot: 

Prof. dr. A.O. Lubbers is sinds augustus 2003 hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit Leiden. Samen met prof. dr. J.P. Boer en prof. dr. S.C.W. Douma is hij eigenaar van Lubbers, Boer & Douma (www.lubbersboerdouma.com). Aangezien Allard Lubbers dé autoriteit is op het gebied van winst uit onderneming, wordt hij regelmatig door belastingadviseurs en cliënten gevraagd mee te denken in discussies met de Belastingdienst over ondernemerschap, vermogensetikettering, openingsbalanswaardering en fiscale jaarwinstbepaling.