Nieuws

BTW-besparende schoolmodellen: de laatste ontwikkelingen

Geplaatst: 25 januari 2017
Kenmerk: 2017.02223

BTW-besparende schoolmodellen: de laatste ontwikkelingen

De Belastingdienst blijft procederen tegen de btw-besparende schoolmodellen. Ook de zaak van de gemeente Aalten is nog steeds niet afgerond. In zijn arrest van 6 januari 2017, nr. 15/03526, oordeelt de Hoge Raad dat het Gerechtshof Amsterdam moet beoordelen of sprake is van misbruik van recht.

Feiten gemeente Aalten

De gemeente Aalten (hierna ook: de gemeente) heeft voor eigen rekening en risico twee nieuwe schoolgebouwen laten bouwen (hierna ook: de nieuwe schoolgebouwen). De gemeente heeft in 2007 de nieuwe schoolgebouwen verkocht en geleverd aan een beheerstichting. De beheerstichting is de nieuwe schoolgebouwen na oplevering gaan verhuren aan het schoolbestuur. De koopsom die de beheerstichting aan de gemeente heeft betaald voor de nieuwe schoolgebouwen is veel lager dan de stichtingskosten van de nieuwe schoolgebouwen. De beheerstichting heeft de koopsom bekostigd met een door de scholen vooruitbetaalde huurprijs. De huur is voor een belangrijk deel weer door de gemeente ter beschikking gesteld aan de schoolbesturen. De gemeente heeft gedurende de bouw van de schoolgebouwen alle voorbelasting in aftrek gebracht.

Procedure

Het Gerechtshof Arnhem oordeelt in zijn uitspraak van 15 januari 2013, nrs.11/00301 en 11/00302, dat sprake is van misbruik van recht. Volgens het Hof is door een samenstel van handelingen een belastingvoordeel behaald in strijd met doel en strekking van de wet. Het behalen van dit belastingvoordeel is ook het wezenlijk doel geweest voor deze handelingen. 

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 25 april 2014, nr. 13/00959, dat alleen de verkoop en levering van nieuwe schoolgebouwen aan een beheerstichting niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van misbruik van recht. De onderwijswetgeving biedt diverse mogelijkheden waarop een gemeente kan voldoen aan haar verplichting om zorg te dragen voor onderwijshuisvesting. De gemeente heeft hierbij gebruik gemaakt van de wettelijk voorgeschreven mogelijkheid om het schoolgebouw over te dragen aan het bevoegd gezag (art. 76n Wvo en art. 103 Wpo). De onderwijswetgeving sluit niet uit dat een gemeente voor deze overdracht een vergoeding vraagt. Een dergelijke overdracht vormt geen misbruik van recht. Dat de overdrachtsprijs lager is dan de stichtingskosten maakt dit niet anders. 

De Hoge Raad verwijst de zaak naar Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een verdere behandeling van deze zaak. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelt in zijn uitspraak van 16 juli 2015, nrs. 14-00527 en 14-00528, dat de levering van de nieuwe schoolgebouwen aan het bevoegd gezag, geen misbruik van recht vormt.

De Hoge Raad  oordeelt in zijn arrest van 6 januari 2017, nr. 15/03526, dat het Gerechtshof de opdracht van de Hoge Raad van 25 april 2014 te beperkt heeft opgevat. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch had alle feitelijke en juridische omstandigheden moeten wegen en vervolgens moeten beoordelen of belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de verschillende (rechts)handelingen en de daaraan verbonden geldstromen neerkomen op een kasrondje. Per saldo ontstaat geen verschil met de situatie dat de scholen direct om niet ter beschikking zouden zijn gesteld. 

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam om te beoordelen of sprake is van misbruik van recht c.q. dat het samenstel van transacties leidt tot een belastingvoordeel dat in strijd met doel en strekking van de wet is verkregen.

Gemeentelijke praktijk

Deze zaak geeft aan dat de Belastingdienst door blijft procederen. De zaak is al twee keer door de Hoge Raad beoordeeld. Ook het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden en het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch hebben zich over de zaak gebogen. Het is nu de beurt aan Gerechtshof Amsterdam. Voor de gemeente Aalten erg kostbaar als geen no cure no pay afspraak is gemaakt.

Inmiddels heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak van de gemeente Borsele. Dat arrest leert ons dat volgens het HvJ EU eerst moet worden bekeken of de gemeente een prestatie onder bezwarende titel verricht en vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van een economische activiteit van de gemeente. Hierbij moeten alle omstandigheden waaronder de handeling plaatsvindt worden bekeken. In de zaak van de gemeente Borsele komt het HvJ EU tot het oordeel dat de gemeente Borsele de ontvanger en eindverbruiker is van vervoersdiensten die door de gemeente worden aangekocht bij de vervoersondernemingen. De gemeente Borsele stelt de vervoersdiensten volgens het HvJ EU aansluitend ter beschikking aan de ouders in het kader van haar activiteit van openbare dienstverlening. De gemeente biedt geen prestaties aan op de algemene markt van personenvervoer.

Het arrest in de zaak van de gemeente Borsele roept de vraag op of de gemeente Aalten met betrekking tot de levering van de schoolgebouwen in de gegeven omstandigheden wel actief is op een markt. Wat is het verschil tussen het tegen een (beperkte) bijdrage verzorgen van leerlingenvervoer en het tegen een (beperkte) bijdrage overdragen van een nieuw schoolgebouw? Dit aspect zal in de volgende procedures over een btw-schoolmodel door de Belastingdienst zeker aan de orde worden gesteld. Het is dan gelet op de zaak Borsele nog maar zeer de vraag of de Hoge Raad weer oordeelt dat de gemeente bij verkoop en levering van een nieuw schoolgebouw voor een geringe vergoeding handelt in het kader van een economische activiteit. 

Opmerking Taxnavigator

Taxnavigator adviseert gemeenten bij toepassing van een btw-besparend schoolmodel alle aspecten af te wegen. Hierbij is het volgende van belang. Een positief oordeel in een bepaalde zaak geeft geen garantie voor een positieve uitkomst van een andere zaak. Een rechtsoordeel is de beslechting van een geschil tussen partijen waarbij partijen door hun inbreng het juridisch speelveld bepalen. In nieuwe procedures kunnen nieuwe argumenten en stellingen worden aangedragen. 

Dit artikel is opgesteld door de heer mr. dr. J.J.P. Swinkels die werkzaam is als concernfiscalist bij de gemeente Utrecht. Het artikel is op persoonlijke titel geschreven.