Nieuws

MRB: personenauto: vrijwilliger: gehandicapten: geen vrijstelling MRB

Geplaatst: 02 mei 2020
Kenmerk: 2020.26355

MRB: personenauto: vrijwilliger: gehandicapten: geen vrijstelling MRB

In zijn uitspraak van 31 maart 2020, nr. 18/00550, oordeelt het Gerechtshof Amsterdam dat de vrijstelling Motorrijtuigenbelasting niet geldt voor de vrijwilliger die zich inzet voor vervoer van gehandicapten.

Een particulier heeft een auto gekocht die wordt gebruikt voor vrijwilligersdiensten die bestaan uit het vervoer van gehandicapten. De particulier doet een beroep op artikel 72, eerste lid, sub n van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. In dit artikel is bepaald dat vrijstelling Motorrijtuigenbelasting geldt als een personenauto geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor openbaar vervoer of taxivervoer. Van belang dat wordt beschikt over een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige vergunning dan wel een voorzover afgegeven vergunningbewijs.

De particulier beschikt niet over een vergunning en doet een beroep onderdeel 11.6.2. van het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting van 23 november 2015, nr. BLKB 2015/1381M (hierna: Kaderbesluit MRB), voor zover hier van belang, bepaalt:

“(…) Personenauto’s die bijv. worden ingezet voor vrijwilligersvervoer (bijv. buurtbussen voor ouderen) en waarvoor van de klant slechts een kleine bijdrage wordt gevraagd hoeven op grond van de Wet personenvervoer 2000 niet te voldoen aan de vergunningplicht. Omdat er geen vergunningplicht is, ontbreekt er voor instellingen die met een of meer personenauto’s dit soort vervoer (tegen betaling) verrichten het recht op vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat een dergelijke instelling op verzoek toch voor vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting in aanmerking komt. Ik stel hierbij de volgende aanvullende voorwaarden.

  1. In plaats van de vereiste vergunning c.q. het vergunningsbewijs zoals bedoeld in de Wet personenvervoer, wordt een schriftelijke verklaring van de instelling overgelegd. In deze verklaring is het volgende opgenomen: a. het vervoer kan als taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer worden aangemerkt (artikel 1, onderdeel j, van de Wet personenvervoer); b. het vervoer wordt verricht door vrijwilligers, die daarvoor geen vergoeding ontvangen die als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 kan worden aangemerkt.
  2. De instelling voert een administratie waaruit op eenvoudige wijze de kosten en opbrengsten van dat vervoer kunnen worden opgemaakt.
  3. De instelling die dat vervoer verricht, is zowel rechtspersoon als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en is als zodanig bekend bij de Belastingdienst.
  4. Vóórdat met de auto de weg wordt gebruikt, is de instelling voor die auto in het bezit van een beschikking van de inspecteur waarmee de vrijstelling wordt verleend. De inspecteur verleent deze beschikking per auto en voor een kalenderjaar of zoveel korter als de instelling in dat jaar houder is. Om de vrijstelling te verlengen moet de instelling aan de inspecteur schriftelijk verklaren dat de betreffende auto nog voor de vrijstelling in aanmerking komt. (…)” , zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt in zijn uitspraak van 31 maart 2020, nr. 18/00550, dat de personenauto wordt ingezet voor vrijwilligersvervoer. De goedkeuring kan echter niet worden toegepast om de particulier c.q. vrijwilliger geen btw-ondernemer is zodat de vrijstelling Motorrijtuigenbelasting niet geldt. Voor raadplegen uitspraak Gerechtshof Amsterdam d.d. 31 maart 2020, nr. 18/00550. Klik hier